Afwijken van de platgetreden paden
Voor wie verder kijkt dan Cristo Redentor, Pão de Açúcar en favela-excursies: Ibitipoca toont een land dat geen spektakel nodig heeft om bijzonder te zijn.
In de afgelopen jaren heeft het Braziliaanse toerisme een sterke groei doorgemaakt, vooral dankzij het internationale segment. In 2025 ontving Brazilië 9,29 miljoen buitenlandse bezoekers, het hoogste aantal ooit en een stijging van ruim 37% ten opzichte van 2024. De buurlanden blijven de belangrijkste herkomstmarkten: Argentinië leverde 3,39 miljoen bezoekers, gevolgd door Chili met 802.000. Vanuit de Verenigde Staten kwamen 759.000 reizigers, terwijl het herstel van luchtverbindingen met Europa zorgde voor 1,27 miljoen Europese bezoekers.
Volgens het Ministerie van Toerisme gaven internationale reizigers in 2024 7,2 miljard dollar uit in Brazilië; door de sterke groei in 2025 ligt dit bedrag aantoonbaar hoger, al is het officiële totaal nog niet gepubliceerd. Voor het binnenlandse toerisme bestaan geen recente officiële cijfers in dollars, maar beschikbare statistieken tonen dat binnenlandse bestedingen substantieel zijn, zij het aanzienlijk lager dan de eerder genoemde tientallen miljarden.
Belangrijkste toeristische bestemmingen blijven onder meer Rio de Janeiro, Foz do Iguaçu en Salvador, die zowel binnenlandse als internationale reizigers trekken. Daarnaast winnen natuurgebieden zoals de Amazone, de Pantanal en de Chapada Diamantina aan populariteit, terwijl strandbestemmingen in het noordoosten — van Jericoacoara tot Porto de Galinhas — een constante stroom van leisure-toeristen ontvangen. Florianópolis en São Paulo versterken hun positie met respectievelijk outdoor-toerisme en gastronomie en stedelijke cultuur.
De belangrijkste massatoerismebestemmingen blijven Rio de Janeiro, Foz do Iguaçu, Salvador en de grote strandhubs van het noordoosten zoals Fortaleza, Recife/Porto de Galinhas en Natal, aangevuld met Florianópolis en het stedelijke toerisme in São Paulo.
Naast die traditionele massatoerismebestemmingen groeit een tweede cluster snel richting dezelfde categorie. Bestemmingen zoals Jericoacoara, Pipa, Maragogi, Bonito en de regio Gramado–Canela kennen de afgelopen tien jaar een sterke toename in bezoekersaantallen, infrastructuur en nationale zichtbaarheid, waardoor ze stilaan evolueren naar volwaardige massatoerismehubs.
Uiteraard mikken reisagentschappen veelal op dergelijke populaire en reeds meer bekende oorden. Voor velen is het al een avontuur om bovenop de Corcovado-berg voor het Cristo Redentor-beeld de armen te spreiden en een kiekje te maken, ofwel uitkijkend op de Guanabara-baai vanop de Suikerbrood-rots. Dat alleen al kost een pak geld, maar goed: “We waren in Brazilië!”. In de voorbije jaren kwamen daar ook uitstapjes naar een favela bij: “Kijk eens hoe moedig ik was, het is daar gevaarlijk hoor.” Niks gevaarlijk, er wordt gewoon een akkoord afgesloten met de lokale bendes die je met rust laten. Voor hen is het louter een kleine bijverdienste. Per slot van rekening, favelas zouden niet eens mogen bestaan. De mensen die daar gingen wonen deden dat omdat er geen alternatief voor hen bestond. Ik moet nog de eerste politicus zien die stappen doet om deze schandvlek voor goed op te lossen. Maar goed, terug naar het toerisme.
Mijn vriend en landgenoot Ivan Bahia, een ervaren reisgids, zegt soms: “Wijk eens af van de platgetreden paden!”. Hij doet dat ook, en brengt zijn klanten naar plekjes waar je met het echte leven, de werkelijkheid, kan kennismaken. En die werkelijkheid is soms net anders dan wat er in de boekjes en vakantiefolders staat. Een van zijn bestemmingen is het stadje Lençóis, in het binnenland van Bahia. De Chapada Diamantina is uiteraard wel al bekend bij velen, maar er is nog veel meer. Laat het nou zo zijn dat het Braziliaanse Ministerie van Toerisme het piepkleine stadje opnam in een lijst van zeven bestemmingen die meedingen om de stempel van “De beste toeristische dorpjes van de wereld” opgekleefd te krijgen, een initiatief van de Wereldorganisatie voor Toerisme (UNWTO), een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties. Naast Lençóis gaat het ook nog om Araçá (SC), Delfinópolis (MG), Holambra (SP), São José do Barreiro (SP), Vila Flores (RS) en Conceição de Ibitipoca (MG). Het resultaat wordt bekendgemaakt in december, ter gelegenheid van een evenement in Buenos Aires, Argentinië. De zeven Braziliaanse bestemmingen nemen het op tegen 261 andere dorpen in de rest van de wereld.
Je zou bijna vergeten dat dit land, ondanks alles, nog altijd momenten heeft die je doen stilstaan. Momenten die het cynisme even wegduwen, alsof Brazilië zachtjes zegt: kijk nog eens goed, ik ben meer dan mijn schaduwen. Ik heb dat soms nodig, zo’n herinnering. Want wie hier woont, wie dit land niet alleen bezoekt maar probeert te begrijpen, weet dat het geen paradijs is. Het is een land dat je soms murw slaat, dat je test, dat je uitdaagt om niet weg te kijken. En toch, tussen al die rafelranden, bestaan plekken die bijna onwaarschijnlijk zijn. Plekken die je niet moet zoeken op de platgetreden paden, omdat ze daar eenvoudigweg niet liggen.
Ibitipoca is zo’n plek.
Het is niet het soort paradijs dat men in folders drukt, met cocktails en slogans. Het is een ander soort paradijs, een dat zich niet opdringt. Een dat je moet verdienen door erheen te gaan, door de moeite te nemen om af te wijken van wat iedereen doet. Terwijl miljoenen mensen zich verdringen onder het Christusbeeld of op de stranden van Bahia, ligt Ibitipoca daar, stil, alsof het zich niets aantrekt van de rest van de wereld. En misschien is dat precies wat het zo bijzonder maakt: het weigert om deel te worden van het massatoerisme, zelfs nu het een kans maakt om door de VN gezien te worden als een van de beste toeristische dorpjes ter wereld.
De afstand naar Ibitipoca schrikt sommige mensen af, en dat is misschien maar goed ook. Vanuit Belo Horizonte ben je een paar uur onderweg, en het laatste stuk — vanaf Lima Duarte — is precies het soort weg dat duidelijk maakt dat je niet naar een massabestemming rijdt. Geen snelweg, geen strak asfalt, maar een kronkelende route door heuvels en bos. Het dorp zelf is niet geasfalteerd: de straten liggen vol paralelepípedo, die ouderwetse “kinderkopjes” die je dwingen om langzaam te rijden en nog langzamer te kijken. Het is een weg voor mensen die begrijpen dat schoonheid soms moeite kost.
Eenmaal aangekomen merk je dat Ibitipoca niet leeft van luxe. De prijzen zijn verrassend redelijk, zeker voor een plek die door de VN mogelijk wordt gezien als een van de beste toeristische dorpjes ter wereld. Je betaalt hier niet voor glitter, maar voor eenvoud. Een maaltijd kost wat een maaltijd hoort te kosten. Een kamer is een kamer, geen lifestyle-concept. En het beroemde brood met kaneel kost nog steeds wat brood met kaneel zou moeten kosten: bijna niets, maar het maakt je dag beter dan welke dure amuse ook.
Het dorp zelf is klein, maar het leeft. Niet van exclusiviteit, maar van mensen die elkaar kennen. Een kerk, een paar straten, een handvol cafés en bakkerijen, een sfeer die nergens naar marketing ruikt. ’s Avonds hoor je muziek uit een bar, geen DJ-set maar iemand met een gitaar. Overdag zie je mensen op een stoep zitten, niet om toeristen te lokken maar omdat dat nu eenmaal is wat men hier doet. Het ritme is traag, maar nooit doods. Het is een dorp dat niet probeert te overtuigen. Het bestaat gewoon.
Het natuurpark ligt vlakbij, maar het dringt zich niet op. De toegang is beperkt, maar niet om exclusiviteit te creëren — om het park te beschermen. Er mogen maar een paar honderd mensen per dag naar binnen, en dat is precies genoeg. Het ticket kost weinig, zeker vergeleken met wat je ervoor terugkrijgt. Geen commerciële poespas, geen verplichte gidsen, geen opgeklopte “experience packages”. Je koopt een kaartje, je gaat naar binnen, en de rest is aan jou.
De paden zijn duidelijk, maar ze zijn niet aangelegd om je te pamperen. Je moet stappen, soms flink. Je moet water meenemen. Je moet accepteren dat je moe wordt. Maar dat is juist de bedoeling: het park is geen decor, het is een landschap dat je moet verdienen. En dat landschap is eerlijk. Het geeft je niets dat je niet zelf komt halen.
De uitzichten zijn niet gemaakt voor foto’s (uitzichten die uiteraard gefotografeerd worden door bezoekers onder de indruk), maar voor mensen die bereid zijn om stil te staan. De rotsen, de rivieren, de mist — ze doen niets om je te imponeren. Ze zijn gewoon wat ze zijn. Soms kom je bij een plek die bijna mythisch klinkt, zoals de Janela do Céu, een natuurlijke richel waar het water de afgrond in glijdt alsof het de hemel zelf raakt. Of je loopt langs het Lago dos Espelhos, waar het water zo stil ligt dat het landschap zichzelf lijkt te verdubbelen. Maar zelfs deze plekken gedragen zich niet als attracties. Ze zijn er gewoon, en jij mag kijken.
Wie hier rondloopt, begrijpt snel dat dit geen bestemming is voor mensen die hun vakantie willen vullen met comfort dat hen niets vraagt. Dit is voor trekkers, voor wandelaars, voor mensen die liever een lange tocht maken dan een cocktail bestellen. Voor mensen die gastronomie niet verwarren met exclusiviteit, maar met eerlijkheid. Voor mensen die liever brood met kaneel eten dan een gerecht waarvan de naam langer is dan de smaak blijft hangen.
De video hieronder geeft een zeer goede indruk, de werkelijkheid is nog veel mooier. Tip: wissel bij het kijken de ondertiteling naar de gewenste taal (via instellingen).
Ibitipoca is geen luxe. Ibitipoca is geen marketing. Ibitipoca is geen product. Ibitipoca is een plek, een plek die je niet bezoekt omdat ze beroemd is, maar omdat ze bestaat. Een plek die je eraan herinnert dat Brazilië, ondanks alles, nog steeds paradijzen heeft — niet de paradijzen van folders, maar de paradijzen van werkelijkheid.
Foto’s: Luizhenrique180789/Glauco Umbelino/Eduardo P/Pedro Augusto Marazzo de Sousa/Antonio Carlos De Freitas/Gabrielrvallim/Ulysses Rj - Wikimedia Commons








These photos remind me of the first time I heard the Brazilian phrase, "mar de montanhas," a sea of mountains all the way to infinity. That was at a rural hotel near Pico da Bandeira, also in Minas.