Boipeba: tussen paradijs en dreiging
Een reis door een paradijs dat me nauw aan het hart ligt, maar nu bedreigd door plannen die de stilte, de natuur en de ziel van het eiland in gevaar brengen.
Er zijn plekken die je bezoekt, plekken die je bewondert, en heel zelden zijn er plekken die je blijven bewonen, zelfs wanneer je er niet meer bent. Boipeba is voor mij zo’n plek. Ik kwam er voor het eerst zonder verwachtingen, op uitnodiging van buren die er familie hadden wonen. Ik dacht dat ik een weekje rust zou vinden, een onderbreking van het dagelijkse leven. Ik wist niet dat ik een deel van mezelf zou achterlaten op dat eiland, en dat het me sindsdien zou blijven roepen.
Ik schrijf dit nu omdat ik er niet meer heen kan. Mijn lichaam laat het niet toe, maar mijn gedachten blijven er rondzwerven, alsof ze de zandpaden van Velha Boipeba nog altijd kennen. Dit is geen reisgids, geen promotietekst. Het is een herinnering, een waarschuwing, een poging om vast te houden wat dreigt te verdwijnen. Een eiland dat ooit alleen bekend was bij vissers en pelgrims, staat nu in het vizier van mensen die het willen omvormen tot iets wat het nooit mag worden.
Wie dit leest, reist met mij mee. Niet alleen naar een geografische plek, maar naar een gevoel, een heimwee. Misschien volstaat het om te zeggen dat Boipeba mij heeft veranderd, en dat ik nu probeer terug te geven wat het mij schonk.
Costa do Dendê
Wie naar Boipeba reist, reist naar de Costa do Dendê, een kuststrook ten zuiden van Salvador waar oceaan, rivieren en manguezais elkaar ontmoeten. De naam verwijst naar dendê, de oranje palmolie die zo typisch is voor Bahia — een geur van zee, vuur en geschiedenis.
In deze regio liggen namen die reizigers doen dromen: Morro de São Paulo, bruisend en druk; de Península de Maraú, met haar eindeloze stranden; de Baía de Camamu, een binnenbaai vol eilanden en verborgen waterwegen. En dan, iets verder, veel stiller: Ilha de Boipeba.
Boipeba maakt samen met Tinharé deel uit van het Arquipélago de Cairu. Het ligt in de Atlantische Oceaan, maar voelt als een wereld op zichzelf. In 2013 werd het verkozen tot het tweede mooiste eiland van Zuid-Amerika. Zulke erkenning trekt blikken aan — en precies daar begint mijn bezorgdheid.
De eerste roep
De naam Boipeba komt uit het Tupi: mboipeba, “platte slang”. Een naam die verwijst naar iets oerouds, iets dat er was lang voor wij er kwamen. Velha Boipeba, de oudste nederzetting, werd in de zestiende eeuw gesticht. De straatjes dragen eeuwen geschiedenis in zich.
Toen ik voor het eerst over Boipeba hoorde, was het geen encyclopedische kennis maar een uitnodiging. Ik had geen idee dat mijn “Brazilitis” — mijn hardnekkige liefde voor dit land — er een nieuwe, diepere vorm zou krijgen.
De reis
Elke tocht naar Boipeba begint in Salvador, een stad die leeft op het ritme van drums, stemmen en geuren. De overzetboot naar Itaparica is de eerste stap weg van die drukte. Op het dek zie je de skyline van Salvador kleiner worden, de geluiden vervagen. Aan de overkant ligt Itaparica, dat binnenkort via een brug verbonden zal worden met het vasteland — een project dat de reis zal vergemakkelijken, maar ook meer druk zal brengen op plekken die juist leven van hun afgelegen karakter.
Van Itaparica gaat het verder per auto, langs dorpen, palmbomen en rood stof. Bahia ontvouwt zich traag, als een verhaal dat je niet te snel mag lezen. Uiteindelijk houdt de weg op. Je laat je auto achter — letterlijk en symbolisch. Vanaf hier begint het echte eiland.
De lancha
De lancha brengt je door manguezais die aanvoelen als een groene kathedraal. De bestuurder leest het water alsof het een kaart van zijn eigen leven is. Het licht wordt gefilterd door bladeren, het water verandert van kleur, vogels scheren tussen de wortels. Je voelt dat je een grens oversteekt, niet alleen geografisch maar innerlijk.
Na ongeveer een uur verschijnt het eiland. Je ziet palmbomen, zand, enkele huizen, een pousada. De lancha nadert de Praia da Boca da Barra. Je stapt uit en merkt meteen dat de geluiden anders zijn: geen auto’s, alleen stemmen, wind en zee.
Velha Boipeba is een dorp dat leeft zonder te haasten. De kerk van het Divino Espírito Santo staat er als een stille getuige van eeuwen. Ik werd opgevangen in een eenvoudige pousada, warm en zonder poespas. Vanaf dat moment begon mijn week — een week die me herboren zou achterlaten.
Het verblijf
De eerste ochtend werd ik wakker met het zachte ritme van de zee. Het dorp ontwaakte traag: kinderen renden over het zand, een hond volgde hen, een vrouw opende haar winkeltje, een man toonde zijn vers gevangen vis. Alles bewoog in een tempo dat je niet kon forceren.
De stranden waren geen decor maar levende plekken: Cueira met zijn eindeloze zandstrook, Tassimirim met glashelder water, Bainema ruig en wijds, Moreré bijna mythisch. Onderweg kwam ik barakjes tegen waar locals schaaldieren en fruit aanboden, niet als een gewoon handeltje, maar als een verlengstuk van hun leven.
Ik wandelde door manguezais, zwom in piscinas naturais, zat op het strand met een caipirinha en voelde hoe mijn gedachten stiller werden. ’s Avonds kleurde de lucht roze en goud, en de pousada vulde zich met zachte stemmen. Ik voelde me opgenomen, niet als toerist maar als iemand die even mocht meedelen in het ritme van het eiland.
Toen de week voorbij was, voelde ik me herboren — en tegelijk verscheurd. Ik wist dat ik zou terugkeren, niet omdat ik het gepland had, maar omdat het eiland mij had gekozen.
De ommekeer
Lang nadat ik terug was, bleef Boipeba in mij nazinderen. Daarom trof het me zo diep toen ik hoorde wat er gaande was. Eerst geruchten, dan feiten. Een naam dook op: Perville. Een ontwikkelaar met plannen die niet pasten bij de schaal van het eiland.

Het project Encantos de Boipeba beslaat honderden hectaren — geen detail, maar een ingreep in de leefwereld van de bewoners. Luxe wooncomplexen, private zones, wegen die traditionele paden doorsnijden, helikopterplatforms die de stilte zouden doorboren.
Ik dacht aan de lancha, aan de kinderen die enkel kunnen voetballen op het strand, aan de eenvoud die geen armoede was maar een keuze. En ik voelde hoe die eenvoud bedreigd werd door iets dat zich voordeed als vooruitgang, maar in werkelijkheid een vorm van verovering was.
De bewoners zagen paden afgesloten worden, hekken verschijnen, beloftes van werk en ontwikkeling die ze al elders hadden zien mislukken. Ze kenden de verhalen van Morro de São Paulo, Jericoacoara, Praia do Forte. Ze wisten wat er gebeurt wanneer een paradijs een product wordt.
Boipeba was anders. Nog wel. Maar de schaduw kroop dichterbij.
De waarde van een eiland
Ik denk nog vaak terug aan mijn eerste ochtend op Boipeba. Soms sluit ik mijn ogen en hoor ik opnieuw de lancha door de manguezais glijden. Misschien omdat ik weet dat ik er nooit meer zal terugkeren. Misschien omdat ik bang ben dat het eiland dat ik in mij draag, niet langer zal bestaan zoals ik het heb gekend.
Boipeba is geen leeg canvas voor een luxeproject. Het is een gemeenschap, een geschiedenis, een ritme. Een plek waar stilte rijkdom is en eenvoud een keuze. De plannen die boven het eiland hangen, voelen als een storm die nog niet is losgebarsten, maar waarvan je de lucht al ziet verkleuren.
Ik schrijf dit omdat sommige plekken verdedigd moeten worden, zelfs door mensen die er niet meer kunnen komen. Iedereen die ooit Boipeba bezocht, begrijpt wat er op het spel staat.
Boipeba is een parel. En parels moet je niet polijsten tot ze glanzen voor de verkeerde ogen. Je moet ze beschermen, koesteren, laten zijn wat ze altijd zijn geweest: zeldzaam, kwetsbaar, onvervangbaar.
Ik kan er niet meer heen. Maar ik kan dit wel publiceren. En misschien is dat genoeg om te zeggen wat gezegd moet worden: dat vooruitgang niet altijd vooruitgang is, en dat sommige paradijzen alleen paradijzen blijven als we ze met rust laten.
Foto’s: André Smeets


















