Een buitenstaander in Braziliës voetbalklimaat
Een persoonlijke blik op een land waar vlaggen, fluitjes en Neymar belangrijker lijken dan het dagelijkse nieuws.
Ik heb niets met voetbal. Helemaal niets. Niet als sport, niet als gespreksonderwerp, niet als levenshouding. En toch woon ik in een land waar voetbal geen hobby is, maar een soort atmosferische druk: je voelt het, zelfs als je het niet ziet. In Brazilië is voetbal geen spel. Het is een klimaat.
De vlaggen die plots verschijnen
Wanneer de Copa do Mundo nadert, verandert de straat in een geel-groene rivier. Huizen, balkons, elektriciteitsdraden, honden, auto’s — alles krijgt een vlag. Het is geen nationalisme, geen politiek statement, maar een collectieve reflex, zoals kerstlichtjes in december.
Ik had geen idee wat ik ermee moest. Dus hing ik, enigszins verlegen, ook een Braziliaanse vlag aan mijn gevel. En daarnaast eentje van mijn eigen land. Dat bleek een schot in de roos. Mensen glimlachten, staken hun duim op. Het was alsof ik zei: “Ik hoor niet bij jullie stam, maar ik groet haar wel.”
Het ochtendnieuws dat geen nieuws meer is
Elke ochtend, op een vast tijdstip, klinkt op de regionale televisie een scheidsrechterfluitje. Niet omdat er iets aan de hand is, maar omdat dat het signaal is dat de sportjournalist binnenstormt. Hij praat alsof hij een brand moet blussen, alsof het land dringend moet weten wat er gisteren in de derde divisie van het staatskampioenschap gebeurde. En dat gebeurt niet alleen tijdens de Copa. Het hele jaar door. Voetbal is hier geen rubriek, maar een natuurwet.
Wanneer de zoveelste gol wordt getoond, hoor je de verslaggever ter plaatse in een soort trance schreeuwen: een eindeloze goooooooooooooooooooooooooool, een klank die voor Brazilianen pure vreugde is, maar voor mij op een nuchtere maag voelt als een aanval.
Mijn strategie is eenvoudig: geluid uit, wachten tot het regionale nieuws terugkeert. Een omgevallen boom. Een ongeluk. Een nieuwe verkeersomleiding. Dingen die relevant zijn voor wie hier woont, meer niet. Maar zelfs dat regionale nieuws staat in de schaduw van het voetbal. Het is alsof alles in het land een pauzeknop heeft, behalve het spel.
De programmatie die buigt voor het heilige spel
Enkele keren per week wordt de normale televisieprogrammering ondersteboven gegooid omdat er — alweer — een wedstrijd live wordt uitgezonden. Niet een finale, niet een klassieker, maar gewoon een wedstrijd. Een van de vele. Het is alsof voetbal hier een soort nationale infrastructuur is, belangrijker dan verkeer, onderwijs of gezondheidszorg, en dat is het ook.
De nationale selectie als nationale zenuw
Nog maar enkele dagen geleden maakte de coach van het Braziliaanse nationale voetbalteam (de Italiaan Carlo Ancelotti) de lijst bekend van de spelers die naar de Copa gaan. Het hele land zat erop te wachten. Mensen stopten met werken, met koken, met praten. Het was alsof men de uitslag van een referendum verwachtte.
Bijna aan het einde van de lijst viel eindelijk de naam waar iedereen op zat te kauwen: Neymar. Een collectieve zucht van opluchting ging door het land, alsof iemand had bevestigd dat de zon ook dit jaar weer zou opkomen. En nu, nauwelijks later, het nieuws dat hij sukkelt met een letsel en misschien niet kan meedoen. Het land houdt de adem in. De kranten schrijven erover alsof het om een geopolitieke crisis gaat. De sportprogramma’s analyseren zijn knie, zijn enkel, zijn ziel. Ik kijk ernaar zoals je naar een telenovela kijkt waarvan je de plot niet begrijpt, maar wel voelt dat het belangrijk is voor de rest van het gezin.
Waarom Teresópolis?
De hele ploeg bevindt zich intussen in Teresópolis, een stadje in de bergen boven Rio. Daar ligt Granja Comary, het trainingscomplex van de nationale ploeg. Een soort voetbal-Vaticaan. Het is er koeler, rustiger, afgezonderd, een plek waar de spelers zich kunnen voorbereiden alsof ze monniken zijn die zich terugtrekken voor een spirituele missie. En voor veel Brazilianen is het dat ook.
De bewondering voor andere landen
Wat me altijd verbaast, is hoe goed Brazilianen op de hoogte zijn van het voetbal in andere landen. Ze kennen de namen van spelers uit mijn thuisland beter dan ikzelf. Ze vragen me soms naar tactieken, naar opstellingen, naar verwachtingen — vragen waarop ik alleen maar kan antwoorden met een beleefde glimlach en een schuldbewust “geen idee”. Maar ze nemen het me niet kwalijk. Ze vinden het zelfs grappig, want voor hen is voetbal een passie die geen grenzen kent. Ze hebben sympathie voor landen met een goede ploeg. Ze willen natuurlijk dat Brazilië wint, maar als ze verliezen van een sterke tegenstander, dan is dat makkelijker te verteren. Het is een sportieve vorm van fatalisme: “Als we moeten verliezen, laat het dan tenminste van iemand goeds zijn.”
Een herinnering uit Rio de Janeiro
Tijdens de Copa van 2002 was ik in Rio de Janeiro. Ik liep naar het hospitaal om een ziek familielid te bezoeken toen mijn telefoon ging: een radiozender uit mijn thuisland. Of ik wilde uitleggen wat de Braziliaanse overwinning betekende voor de bevolking. Ik zei toen iets wat ik nog steeds geloof: “Heel veel. De bevolking die al zoveel te lijden heeft, wordt even bevrijd van al die ellende. Voor enkele dagen zijn zij de koningen van de wereld.”
Wat ik intussen leerde
Ik begrijp nog steeds niets van buitenspel, van tactiek, van waarom een doelpunt in de 73ste minuut van een regionale competitie het land in vervoering brengt. Maar ik begrijp wél dit:
Voetbal is hier geen sport. Het is een collectieve adempauze. Een moment waarop miljoenen mensen, die vaak weinig reden hebben om zich kampioen te voelen, dat toch even mogen zijn.
En misschien is dat precies waarom ik, ondanks mijn totale onverschilligheid voor het spel, toch met mildheid kijk naar al die vlaggen, al dat geschreeuw, al die onderbroken programma’s. Want soms moet je niet begrijpen om te kunnen meeleven. En misschien is dat, in een land waar voetbal de seizoenen bepaalt, al meer dan genoeg.
Foto’s: André Smeets





