Financiële Tijdbom
Waarom de Braziliaanse droom op krediet de rekening naar de toekomst schuift.
Voormalig minister van Financiën Fernando Haddad — die in maart aftrad om zich kandidaat te stellen voor het gouverneurschap van São Paulo — bekritiseerde tot aan zijn laatste dag in functie herhaaldelijk de “financiële last” die de regering Lula in 2023 zou hebben geërfd van zijn voorganger Jair Bolsonaro. Volgens hem en de Arbeiderspartij (PT) verklaart dat verleden de moeite die het kost om de overheidsfinanciën te reorganiseren. Het klopt dat er excessen waren, bovenop de noodinvesteringen tijdens de pandemie, met overschrijdingen van het uitgavenplafond en een miljardenschuld aan precatórios (officiële erkenning van een schuld door een Braziliaanse overheidsinstantie die na een definitieve rechterlijke uitspraak verplicht aan een burger of bedrijf moet worden uitbetaald) die simpelweg met de buik vooruit werden geschoven naar de toekomst. Maar al die argumenten ontslaan het huidige economische team niet van hun verantwoordelijkheid. Onder leiderschap van Haddad en zijn opvolger Dario Durigan heeft de regering een financiële tijdbom gecreëerd die gewoon weer wordt doorgegeven aan de volgende generatie.
De combinatie van snelgroeiende uitgaven, roodstand en hoge rentes leidt tot een voorspelbare uitkomst: de staatsschuld ontploft. Het is geen toeval dat de Braziliaanse schuld groeit in een tempo dat alleen vergelijkbaar is met de meest acute crisismomenten, zoals de pandemie van 2020 of de recessie van 2015-2016. Prognoses van het ministerie van Financiën zelf bevestigen wat we eigenlijk al wisten: de schuld blijft tijdens bijna de hele volgende regeerperiode stijgen en begint pas in 2030 voorzichtig te dalen. Dit resulteert in een hoge rente, waardoor kapitaal vlucht naar veilige staatsobligaties in plaats van naar productieve investeringen die het land echt kunnen laten groeien.
Volgens de Centrale Bank liep de Braziliaanse staatsschuld vorig jaar op tot 79% van het BBP. Dat percentage was enkel hoger in 2020, op het hoogtepunt van de pandemie, toen het de 87% aantikte. Toen Lula in januari 2023 de scepter overnam, stond die teller op 72%. We moeten al ver terug, naar de jaren 2000, om cijfers rond de 55% te zien. De stijgende trend is nog lang niet voorbij; naar verwachting groeit de schuld verder naar 88% van het BBP in 2029, een cijfer dat door onafhankelijke analisten overigens als veel te optimistisch en nauwelijks geloofwaardig wordt beschouwd.
Het Internationale Monetair Fonds (IMF) is in zijn jongste prognoses nog minder optimistisch en verwacht dat de Braziliaanse schuld minstens tot 2031 blijft stijgen. Hoewel het IMF een andere methodologie hanteert waardoor de cijfers hoger uitvallen — zij schatten de schuld voor 2025 op 93%, vergeleken met de 79% van de Centrale Bank — is de conclusie pijnlijk duidelijk. Brazilië behoort nu al tot de meest schuldenrijke landen onder de opkomende economieën en die positie zal waarschijnlijk verslechteren. Momenteel staat het land op de 25ste plaats van de 183 door het IMF gevolgde economieën, maar tegen 2031 zal het naar verwachting opklimmen naar een schuld van 103% van het BBP. Ter vergelijking: in Mexico en Colombia, landen die enigszins vergelijkbaar zijn, schommelt diezelfde indicator rond de 60%.
Het probleem zit hem simpelweg in de overheidsuitgaven. Als men het huidige uitgavenniveau wil handhaven zonder de schuld te laten ontploffen, moeten de belastingen — die nu al niet van de minste zijn — omhoog. Maar het land heeft de grens van de belastingdruk bereikt. Alleen een ingrijpende operatie waarbij de overheid in eigen vel snijdt, kan de boel weer in evenwicht brengen. Lula is dat echter niet van plan, mocht hij herverkozen worden. Voor hem is consumeren de enige motor voor groei, ondersteund door meer krediet voor gezinnen zodat zij toegang krijgen tot duurdere producten.
De president ziet een duidelijke rol voor de staat om de economie aan te jagen via de koopkracht van de burger. In zijn visie draait de economie pas echt wanneer mensen de middelen hebben voor basisbehoeften zoals voedsel en kleding, maar ook voor computers en huishoudelijke apparaten. Geld in de handen van het volk en kleine ondernemers zorgt volgens hem voor een directe impuls aan de werkgelegenheid. Om dit mogelijk te maken zet hij in op ruimere kredietverstrekking, niet als een gevaar, maar als een noodzakelijk instrument voor gezinnen. Hij droomt van een interne markt waar Brazilianen het recht hebben op moderne technologie en goede auto’s, gefinancierd door leningen die direct op het loon worden ingehouden. Het is een visie die hij al sinds het begin van de jaren 2000 herhaalt, maar die vandaag de dag op meer scepsis stuit dan voorheen. Waar iconische beloftes over de toegankelijkheid van consumptiegoederen — zoals zijn bekende uitspraak dat elk gezin zich weer picanha en een biertje moet kunnen veroorloven — destijds hoop gaven, botst die retoriek nu hard met de realiteit van de hoge inflatie. Voor veel Brazilianen is de kloof tussen de politieke belofte en de prijs aan de kassa inmiddels zo groot geworden dat de vertrouwde verhalen hun glans verliezen; de herinnering aan onvervulde toezeggingen maakt dat de bevolking zijn economische recepten steeds vaker als achterhaald bestempelt.
De koers om de economie te stimuleren door een hogere consumptie, betekent dat de focus blijft liggen op overheidsinvesteringen en subsidies in plaats van op bezuinigingen. Voor de president is sociale inclusie via consumptie belangrijker dan het strikt naleven van fiscale beperkingen. Hiermee geeft hij aan dat hij bij een eventuele nieuwe termijn vast wil houden aan een model waarbij de staat de consumptie actief aanjaagt. Dit botst echter frontaal met de zorgwekkende realiteit van de staatsschuld. Hoewel hij dit verkoopt als een sociale oplossing, wijzen economen op de structurele risico’s. In deze logica leidt een kunstmatige stimulering van de vraag zonder fiscale hervormingen onvermijdelijk tot een hogere rente om de inflatie te beteugelen, wat de afbetaling van de schuld alleen maar duurder maakt.
De vergelijking met het verleden is weinig geruststellend. Critici waarschuwen dat een volgende termijn een herhaling dreigt te worden van het beleid onder Dilma Rousseff, maar dan in een extremere vorm. Waar Lula vroeger nog kon zeilen op een gunstige wereldwind, is de financiële ruimte nu nagenoeg verdwenen. Het vasthouden aan dit model van staatsinmenging, terwijl de schuld richting de honderd procent kruipt, wordt door velen gezien als het negeren van een tikkende tijdbom. De overheid lijkt steeds meer te verschuiven naar een ideologische verharding waarbij staatsbedrijven de kar moeten trekken, wat private investeringen juist verdringt naar veilige staatsobligaties.
Dit alles bevestigt dat kiezers meer aandacht zouden moeten hebben voor wát hun kandidaat gaat doen, en minder om wie het gaat. De decennialange polarisatie zal de schuld van het land niet verminderen, integendeel. De informatie in dit betoog is geen verzinsel, maar geplukt uit recente analyses in Braziliaanse kranten (Estadão, Folha, O Globo e.a.) en tijdschriften (Veja, Exame e.a.) die voor (bijna) iedereen beschikbaar zijn. Het is echter de vraag of de gemiddelde burger, die zijn nieuws liever in korte hapjes via Instagram of YouTube consumeert, de ernst van deze cijfers nog wel tot zich laat doordringen. Een land kan niet eeuwig blijven uitgeven wat het niet heeft. Mocht elke Braziliaan vandaag opstaan en eisen dat de staat zich gedraagt als een goede huisvader — die pas uitgeeft nadat hij heeft verdiend — dan zou het beleid morgen veranderen. Zolang zij echter genoegen nemen met een korte-termijnfeestje op krediet, blijft de financiële tijdbom ongestoord verder tikken.


