Stenen tafels zonder geboden
Over de Chapada Diamantina, diamantkoorts en het nut van niet alles te zien.
🇬🇧 🇧🇷 🇫🇷 🇩🇪 🇪🇸 🌐 → Use your browser’s translation tool
Lang geleden dacht ik bij stenen tafelen altijd aan Mozes, die er twee in ontvangst nam op de berg Sinaï. In Brazilië bestaan ook stenen tafelen, in ruime hoeveelheden, niet in het minst in Bahia. De Chapada Diamantina, het diamantplateau van deze deelstaat, was in de 19de eeuw de bestemming voor gelukzoekers, voormalige slaven, avonturiers en tussenpersonen, allemaal bezeten door diamantkoorts. Plekken als Lençóis ontstonden niet uit romantiek, maar uit hoop op snelle rijkdom. Diamanten, verstopt in water en steen, maakten van het plateau een belofte. Toen die belofte verdween, bleef het landschap achter — onverstoorbaar en indrukwekkender dan eender welke vondst. De diamanten zijn grotendeels verdwenen. Het stof niet. En het uitzicht al helemaal niet.
Lezers van Link2Brazil weten dat Brazilië erg veel te bieden heeft buiten de platgetreden paden. De Chapada is niet onbekend, maar moet het qua bezoekersaantallen toch afleggen tegen Rio de Janeiro. Waar Rio zich aandient en Foz do Iguaçu zich opdringt, moet het diamantplateau ontdekt worden. Het behoort niet tot de Braziliaanse hoogtepunten die je per ongeluk bezoekt. Het vraagt tijd, benen en een zekere bereidheid om niet alles te zien. Geen plek voor een weekendje weg, zeker niet voor wie graag met een lift naar het uitzichtpunt gaat. Zelf trok ik er tweemaal naartoe en zag maar een klein deel.
De eerste keer ging het met de wagen, enigszins avontuurlijk via de gatenlanen van het binnenland. Het Braziliaanse wegennet is niet altijd van goede kwaliteit en de discipline van bestuurders laat vaak te wensen over, zodat voorzichtigheid geen overbodige luxe is. De tweede keer stapte ik in zo’n propellervliegtuig van Azul Airlines — zo’n kleintje met twee propellers waarbij je nog de indruk hebt dat je door de lucht ploegt. Geen druk kabinegeluid, maar een bijna fysieke beweging, alsof iedereen weet dat dit geen gewone vlucht is. Na een uurtje zweven doemden de tafelbergen onder me op, en wist ik dat Salvador al lang was achtergelaten in de rimpelingen van het landschap. Met de auto ben je uren onderweg en kom je moe aan; met het vliegtuig ben je er in iets meer dan een uur.
Lençóis is de poort van de Chapada: bekend, met infrastructuur, gidsen, restaurants en pousadas. Mucugê is het historische hart, Andaraí het startpunt voor lange trekkings, Ibicoara ligt dicht bij de bekende watervallen en is ideaal voor wie natuur verkiest boven dorpsleven. Lençóis was mijn basis, maar niet mijn maatstaf.
De Chapada bestaat uit plekken waar je óf langer blijft, óf sneller vertrekt — en soms beide tegelijk. Het hangt af van het soort bezoeker dat je bent: de fitte, de zoekende, de zwijgende. Wie wat ouder is, zal dat onderscheid herkennen. Voor mij volstond dit.
Wat me vanaf de eerste avond aantrok in Lençóis was de gezellige sfeer. Het volstaat om de straat op te gaan, rechtstreeks vanuit je verblijf. Smalle straatjes, uitnodigende tafeltjes en stoeltjes, nauwelijks verkeer. Zo leuk zelfs dat ik de tweede keer opnieuw voor dezelfde plek koos, in het volle besef dat mijn indruk daardoor beperkt bleef. Ach, je kan niet alles hebben in het leven.
De Chapada is monumentaal uitgestrekt (38.000 km²), ruwweg even groot als Nederland. Het kerngebied dat echt bezocht en bewandeld wordt — het Parque Nacional da Chapada Diamantina — beslaat 1.520 km². Voor mij bleef het bij een nog kleinere selectie. Niet uit gebrek aan interesse, maar aan knieën. Met een goede gids wordt het geen uitputtingsslag, maar een doordachte keuze: tafelrotsen zoals de Três Irmãos en de Morro do Camelo, watervallen, blauwgroene poelen, grotten en uitzichtpunten — afgestemd op je mogelijkheden en de duur van je verblijf. Je kan zo’n gids vooraf vastleggen (ik verwijs later graag naar een Belgische vriend die er actief is en in meerdere talen werkt), maar net zo goed reis je comfortabel met de bus vanuit Salvador en beslis je ter plekke hoe ver je wil — en kan — gaan.
Bij mijn eerste bezoek reed de eigenaar van de pousada, een gids op kleinere schaal, ons via een hobbelige binnenweg omhoog naar Igatu, een stadje dat meer uit steen dan uit tijd lijkt te bestaan. De klim ging traag, over keien die eerder waren gelegd dan ontworpen, maar precies daardoor voelde het als een ontdekking. Alsof je niet aankwam, maar voorzichtig werd toegelaten. Igatu is een half verlaten diamantstadje bij Andaraí, officieel het Distrito de Igatu, bekend om zijn stenen ruïnes en geplaveide paden — een plek waar de diamantgeschiedenis tastbaar blijft.
De Chapada Diamantina behoort voor mij tot die zeldzame Braziliaanse plekken die je niet bezoekt om af te vinken, maar om te begrijpen — net zoals de Corcovado dat in Rio ooit was. Daar wil vandaag iedereen gefotografeerd worden voor de Cristo Redentor, terwijl maar weinigen doorstappen naar de Pico da Tijuca — een plek zonder icoon, maar met overzicht. Ik klom naar de top en nam er foto’s die — althans voor mij — het uitzicht vanaf de Corcovado of de Pão de Açúcar moeiteloos overtreffen. Datzelfde gevoel had ik in de Chapada: het besef dat wat minder bezocht wordt vaak meer prijsgeeft. Het verklaart mijn tweede bezoek. En eerlijk? Ik betrap mezelf erop dat ik nog steeds aan een derde denk.
Voel je het al kriebelen? Doen. De Chapada laat zich niet lezen vanop afstand — je moet er zijn, stap voor stap.
Als extra tip: er is een Nederlandstalige gids actief in de regio, met veel ervaring en een uitstekende reputatie. Hij werkt onder de naam Ivan Bahia Guide en is ook gemakkelijk terug te vinden via TripAdvisor. Hij spreekt bovendien Frans, Engels, Duits en Portugees, een aanrader.
Foto’s: André Smeets
Wie zich abonneert, krijgt nieuwe stukken per mail. Wie dat niet wil, kan alles hier gewoon lezen.








