Mens erger je niet
Niet alles is rozegeur en maneschijn in het paradijs.
Niet alles is rozegeur en maneschijn in Brazilië. Dat wist ik natuurlijk al, maar het land heeft me dat op een bijzonder creatieve manier leren begrijpen. Op de pagina Brazilitis was de boodschap al duidelijk: dit land is prachtig, maar er zit een stevige “maar…” achter. Ik was nog maar net gearriveerd toen een Braziliaan me een grapje vertelde dat me meteen in lachen deed uitbarsten:
“Op de zevende dag, nadat de Heer Brazilië schiep, kwam een engel vol bewondering naar Hem toe: ‘Heer, uw schepping is fantastisch, maar Brazilië spant de kroon! Het is het allermooiste van alles wat ik zag!’
De Heer antwoordde droogjes: ‘Dank je wel, maar wacht maar tot je ziet welk volk ik er ga plaatsen.’”
Ik lachte, maar ergens voelde ik dat dit grapje een laagje had dat ik nog moest ontdekken. En jawel, het ging geleidelijk, heel geleidelijk zelfs, maar het bekende gezegde “Niet alles wat blinkt is goud” kwam tot leven. Gelukkig bestaat er een ander gezegde dat me hielp om het allemaal te aanvaarden: Mens erger je niet.
Als inwoner met een definitieve verblijfsvergunning heb je hier bijna dezelfde rechten en plichten als de Brazilianen. Kritiek uiten mag, maar er zijn grenzen. De Braziliaanse grondwet garandeert vrijheid van meningsuiting, ook voor buitenlanders. Je mag dus gerust je mening geven over het dagelijks leven, de bureaucratie, de economie of de veiligheid. Maar politiek? Dat is een ander verhaal. Actieve politiek is verboden voor buitenlanders, en laster of smaad kan je hier sneller een rechtszaak opleveren dan een regenbui in São Paulo. En sociale media? Wat je in een persoonlijk gesprek zegt, kan online plots klinken alsof je een revolutie wil ontketenen.
Maar goed, ik mag dus kritiek uiten — en ik weet dat mijn Braziliaanse lezers (jawel, die zijn er, en ze vertalen sneller dan ik koffie kan zetten) het meteen zullen lezen. Soms met een glimlach, soms met een zucht, maar vaak denkend: “Hij heeft gelijk.”
Wat ik niet leuk vind
TV bijvoorbeeld. Je raakt nooit helemaal gewend aan de uitbundigheid van bepaalde programma’s op de open kanalen. Pure pulp, geschreeuw, mensen die zich gedragen alsof ze net ontsnapt zijn uit een circus dat geen veiligheidsvoorschriften hanteert. De echt interessante programma’s worden uitgezonden op tijdstippen waarop de gemiddelde Braziliaan al lang onder de lakens ligt. En dan die eindeloze novelas, spelletjes, voetbal en would-be zangers die soms meer volume dan talent hebben.
Nieuwsprogramma’s zijn een verhaal apart. Na elk ernstig onderwerp volgt een reclameboodschap, alsof de producenten denken dat je na een tragisch verkeersongeval dringend moet weten dat je een nieuwe auto kan kopen “met een klein voorschot en pas beginnen af te betalen over enkele maanden”. En ja, auto’s zijn hier duur. Een middenklasser die in België of Nederland €30.000–€35.000 kost, komt hier vrolijk uit tussen €45.000–€60.000. Slik.
De politionele programma’s zijn nog erger. Presentatoren die de longen uit hun lijf schreeuwen, bandieten uitschelden alsof ze persoonlijk beledigd zijn, en soms zelfs een pop erbij halen die mee staat te brullen. Ik verzin dit niet.
En dan de zondagnamiddagprogramma’s. Luciano Huck, Eliana, Ratinho, Rodrigo Faro… allemaal omringd door een dolgedraaide plateia die wordt opgehitst door iemand in de coulissen die waarschijnlijk een carrière in de samba heeft gemist. Het is het ideale moment om een wandeling te maken en na te denken over mijn volgende Link2Brazil-bijdrage.
Corruptie — het deel dat nooit kort kan zijn
Corruptie is hier geen verrassing, maar een dagelijkse realiteit. Mijn spambox staat vol met berichten waarin men me probeert wijs te maken dat ik een boete moet betalen. Ik trap er nooit in, maar duizenden anderen wel. En dat is precies het probleem: de banaliteit van de oplichterij. De kleine fraudeur voelt zich gelegitimeerd door de grote fraudeur. Als de machtigen het mogen, dan mogen wij het ook — zo lijkt het. “Wij zijn slimmer,” zeggen ze dan, alsof het een sport is. Het is een mentaliteit die me na meer dan twee decennia nog steeds verontwaardigt, en die ik nooit zal kunnen aanvaarden.
Na vijf jaar in Brazilië dacht ik dat ik het land begon te begrijpen. Tot het Mensalão-schandaal uitbarstte. Plots bleek dat parlementsleden maandelijks werden betaald om te stemmen zoals de regering dat wilde. Wat tot dan toe vooral geruchten waren, stond ineens overal: kranten, televisie, gesprekken op straat. Het was het moment waarop ik besefte hoe diep verweven macht en geld hier kunnen zijn.
Daarna volgden Lava Jato, Petrolão, het INSS-schandaal en nu de Banco Master-puinhoop. Had de Heer dan toch gelijk?
En alsof dat nog niet genoeg is, duikt er bijna dagelijks een nieuw schandaal op. Zoals deze week, toen de federale politie huiszoekingen uitvoerde bij Marco Antônio Cabral, zoon van de voormalige gouverneur Sérgio Cabral — een man die zo corrupt was dat zelfs de duivel hem waarschijnlijk te duur vond in onderhoud. De zaak draait om witwassen en banden met de sigarettenmaffia. Ook een dominee, Márcio Poncio, werd opgepakt. Het klinkt als een slechte telenovela, maar het is gewoon het nieuws van donderdag.
De politieke vermoeidheid van een natie
Wat me nog het meest treft, is hoe de dagelijkse corruptie — van de grote tot de kleine — een soort morele erosie veroorzaakt. De oplichter die mij een valse boete probeert aan te smeren, denkt niet dat hij iets verkeerd doet. Hij denkt dat hij deelneemt aan een nationale hobby. “Als zij het mogen, dan mogen wij het ook.” Het is een logica die je niet kan ontleden zonder een aspirientje.
En dan lees je dat opiniestuk van Estadão, waarin men zich afvraagt hoe het Congres de band met de samenleving kan herstellen. Een mooie vraag, maar het klinkt een beetje alsof men een huwelijk wil redden waarin beide partners al jaren in aparte kamers slapen en enkel nog communiceren via Post-its op de koelkast. De cijfers zijn hallucinant: 68% van de kiezers kan geen enkele afgevaardigde noemen, 75% geen enkele senator, en bijna 70% weet niet meer op wie ze hebben gestemd in 2022. Dat is geen democratische vermoeidheid meer, dat is een collectieve amnesie.
Maar: wie kan hen dat kwalijk nemen? De federale machine in Brasília is een van de duurste ter wereld. Elke staat krijgt acht afgevaardigden en drie senatoren, ongeacht de bevolkingsgrootte. Dat betekent dat een staat met minder inwoners dan een middelgrote Braziliaanse wijk dezelfde politieke slagkracht heeft als São Paulo. En dan heb ik het nog niet over de kosten: een afgevaardigde kost de belastingbetaler gemiddeld R$ 2,5 miljoen per jaar. De Senaat is nog duurder. Het is alsof je een luxehotel financiert waar je zelf nooit mag binnenkomen, of dat het geld gewoon in rook opgaat.
Daarbovenop zijn er meer dan dertig politieke partijen. Dertig! Alsof er dertig verschillende ideologieën bestaan. In werkelijkheid bestaan er vooral dertig manieren om een zetel te bemachtigen. De Brazilianen betalen dit alles, inclusief de nuttelozen, inclusief de inefficiënten, inclusief de privileges waarvan niemand precies weet waarom ze bestaan. En ja, ook ik betaal mee. Het is een dure club, en het lidmaatschap is verplicht.
Het resultaat is een land dat gepolariseerd raakt, niet omdat de mensen dat willen, maar omdat het systeem hen ertoe dwingt. Verkiezingen worden niet gewonnen, ze worden gekocht — niet letterlijk, maar via een campagne-industrie die draait op geld, veel geld. De strijd gaat meestal tussen twee grote blokken die elkaar zo fel bestrijden dat je zou denken dat ze strijden om de laatste brigadeiro op een kinderfeestje.
De Brazilianen zijn moe. Doodmoe. Niet alleen van de corruptie, maar van het gevoel dat ze verplicht moeten deelnemen aan een spel waarvan de regels niet voor hen zijn geschreven. Ze moeten verplicht naar de stembus, maar als het niet verplicht was, zou een groot deel gewoon thuisblijven. Niet uit luiheid, maar uit wanhoop.
En dan, in dat moment van reflectie, denk ik terug aan dat grapje dat ik hoorde toen ik hier aankwam. Dat grapje dat me toen deed lachen, maar dat nu een bijna pijnlijke scherpte heeft gekregen. “Wacht maar tot je ziet welk volk ik er ga plaatsen,” zei de Heer. En ik moet toegeven: na meer dan twee decennia begrijp ik het eindelijk. Niet omdat de Brazilianen slecht zijn — integendeel, ze zijn warm, creatief, veerkrachtig — maar omdat ze gevangen zitten in een systeem dat hen al generaties lang uitput. Het grapje was nooit een belediging voor het volk, maar een waarschuwing voor de omstandigheden waarin dat volk moest zien te overleven.
Slot
Uiteraard is dit een van de dingen die je gewoon niet leuk kán vinden. Samengevoegd met de andere, meer banale ergernissen, maakt het dat grapje in het begin van deze tekst behoorlijk cynisch. Maar ondanks alles blijft het positieve saldo voor mij overeind. Meer dan 250 bijdragen sinds januari bewijzen dat ik dit land nog steeds met liefde ontleed, zonder met mijn vinger te wijzen, maar wel met open ogen.
Stel je voor dat men corruptie, misdaad, opvoeding, geweld en armoede onder controle krijgt. Dan leef ik in een paradijs.


