Van Carandiru tot Washington
Hoe Braziliaanse bendes evolueerden tot globale netwerken en waarom ze nu zelfs een rol spelen in het politieke spel tussen Lula, Trump en de Bolsonaros.
Er zijn verhalen die je niet kunt vertellen zonder eerst terug te keren naar het moment waarop alles kantelde. Voor Brazilië is dat Carandiru (São Paulo), 2 oktober 1992. Een dag waarop de staat besloot dat het leven van 111 gevangenen – officieel, want wie gelooft dat nog – minder waard was dan de illusie van controle. De wereld keek mee, geschokt. En midden in die hel liep een arts rond die later de chroniqueur van dat drama zou worden: Drauzio Varella. Hij kende de mannen, hij kende de gangen, hij kende de geur van angst die in de muren trok. Jaren later werd hij niet alleen de auteur van het boek dat Carandiru onsterfelijk maakte, maar ook een soort nationale “televisiedokter” bij Globo, een vertrouwd gezicht dat op zondagavond gezondheidsadvies gaf aan hetzelfde land dat ooit wegkeek van wat er in die gevangenis gebeurde. Hij is nu 83, en nog altijd een moreel referentiepunt in een land dat daar een chronisch tekort aan heeft.
Carandiru was geen geïsoleerd incident. Het was een waarschuwing. Een litteken. En het was de vonk die een van de machtigste criminele organisaties van Latijns-Amerika zou doen ontstaan. In de nasleep van dat bloedbad, toen de staat zich schaamde en tegelijk niet wist hoe te reageren, begonnen gevangenen zich te organiseren. Niet uit ideologie, maar uit pure overlevingsdrang. In 1993, in het beruchte “Piranhão” – de bijnaam van de Casa de Custódia de Taubaté – richtten acht gevangenen het “Primeiro Comando da Capital” op. Het PCC. Een naam die toen nog klonk als een grap, een soort voetbalploeg voor wie niets meer te verliezen had. Maar het was geen grap. Het was het begin van een structuur die de misdaad in Brazilië zou professionaliseren zoals geen enkele overheid ooit heeft gedaan.
Om het PCC te begrijpen, moet je ook terug naar de oorsprong van zijn oudere neef: het Comando Vermelho (CV). Dat ontstond in de jaren 70 in de gevangenis op het eiland Ilha Grande, aan de kust van Rio de Janeiro. De dictatuur had daar een geniale maar desastreuze ingeving: politieke gevangenen en zware criminelen samen opsluiten. De bedoeling was om de linkse militanten te breken, maar wat er gebeurde, was het omgekeerde. De politieke gevangenen brachten discipline, organisatie en een soort collectieve logica binnen in een wereld die tot dan toe vooral draaide op brute kracht en opportunisme. De criminelen namen die structuur over, maar niet de ideologie. Zo ontstond het Comando Vermelho: rood van de politieke erfenis, maar in de praktijk een criminele coöperatie die de favela’s, de drugshandel en later hele wijken van Rio zou domineren.

Het PCC keek goed naar dat model, leerde ervan, en ging er vervolgens overheen. Waar het Comando Vermelho nog sterk verankerd bleef in Rio en omgeving, bouwde het PCC vanaf São Paulo een netwerk uit dat vandaag reikt tot in Paraguay, Bolivia, Argentinië, Peru, Europa en ja, ook de Verenigde Staten. Hun leiders – of beter, hun symbolen – zitten in federale gevangenissen onder streng regime. De bekendste is Marcola, Marcos Willians Herbas Camacho, die al jaren in een soort monastieke isolatie leeft. Maar dat maakt weinig uit. Het PCC werkt als een systeem, niet als een man. De machine draait door, met of zonder hem.
En die machine is mee geëvolueerd met de tijd. Waar het Comando Vermelho ooit werkte met walkietalkies, boodschappers en gecodeerde briefjes, gebruikt het PCC vandaag AI-gegenereerde stemmen en beelden, geautomatiseerde afpersingsschema’s, cryptotransacties, sociale media-rekrutering en zelfs influencers die niet eens weten dat ze voor hen werken. Jongeren worden verleid via TikTok-video’s die het leven in de “firma” romantiseren, WhatsApp-groepen dienen als logistiek centrum, en geld verdwijnt in een paar seconden via digitale routes die door vijf landen lopen voor het ergens in contanten opduikt. De misdaad is digitaal geworden, en de staat loopt achter alsof hij nog steeds faxen verstuurt.
Het Comando Vermelho zelf is intussen een gigantisch netwerk dat drugscorridors beheert, wapens verhandelt en hele wijken controleert. In Rio zijn er buurten waar de overheid een toevallige passant is en het Comando de vaste bewoner. En dan zijn er nog de milícias, die andere Braziliaanse uitvinding: ex-politieagenten, brandweerlui, militairen, mannen die de staat van binnenuit kennen en die kennis gebruiken om hem te ondermijnen. Ze verkopen veiligheid, internet, gas, kabeltelevisie, vastgoed. Een parallelle staat, maar dan zonder bureaucratie en zonder scrupules.
Wie denkt dat dit allemaal een intern Braziliaans probleem is, vergist zich. Deze organisaties laten andere landen niet met rust. Ze zitten in de buurlanden omdat daar de drugsroutes beginnen of passeren, ze duiken op in Portugal en andere Europese landen omdat daar de taal, de diaspora en de havens hen goed uitkomen, en via hun logistieke ketens raken ze ook de Verenigde Staten. Niet omdat ze daar een ideologische oorlog willen voeren, maar omdat de wereldwijde drugshandel geen grenzen kent. Waar geld stroomt, volgt het PCC. Waar wapens circuleren, duikt het Comando Vermelho op. Waar digitale fraude loont, zijn ze er al. De vraag is dus niet of ze invloed hebben buiten Brazilië, maar hoeveel – en hoe zichtbaar.
En dan komen we bij het heden. Bij Trump. Bij Flávio Bolsonaro. Bij Lula. En bij de vraag waarom deze Braziliaanse misdaadstructuren plots opduiken in toespraken in Washington.
Wanneer Flávio Bolsonaro in de Verenigde Staten gaat pleiten om het PCC en het Comando Vermelho als terroristen te labelen, doet hij dat niet in een vacuüm. Hij doet het na een reeks politieke klappen, onder meer de impact van een film over zijn vader die het zorgvuldig opgebouwde imago van de “redder des vaderlands” aantastte. In zo’n context is het verleidelijk om een nieuw front te openen: niet defensief reageren op kritiek, maar offensief uitpakken met een hard standpunt tegen misdaad. “Kijk,” kan hij zeggen, “wij nemen tenminste initiatief, wij durven deze organisaties bij hun naam noemen.”
Voor Trump is dit een geschenk. Het past perfect in zijn narratief van de man die “hard optreedt tegen misdaad” en “de wereld veiliger maakt”. Door Braziliaanse criminele organisaties als terroristen te bestempelen, kan hij zich profileren als iemand die niet alleen binnenlands, maar ook internationaal de orde bewaakt. Tegelijk opent het de deur om Latijns-Amerika opnieuw te framen als een regio die Amerikaanse interventie “nodig heeft” – economisch, juridisch, eventueel zelfs militair. Of dat allemaal klopt, is een andere discussie. Maar Trump heeft nooit veel last gehad van nuance.
De Braziliaanse regering reageert voorspelbaar defensief. Niet omdat ze vindt dat het PCC of het Comando Vermelho onschuldig zijn – dat zou absurd zijn – maar omdat het label “terrorisme” geopolitieke gevolgen heeft. Het opent de deur voor Amerikaanse inmenging, financiële sancties, internationale druk. En het suggereert dat Brazilië zijn eigen huis niet op orde heeft. Dat is electorale zelfmoord voor elke regering die zich graag presenteert als soeverein en capabel.
En dan Lula. Lula die, zoals altijd, improviseert. Soms briljant, soms slordig, soms charmant, soms zijn eigen grootste vijand. Wanneer hij zegt dat “onze criminelen geen terroristen zijn”, bedoelt hij waarschijnlijk dat het een binnenlandse kwestie is, dat Brazilië zelf moet bepalen hoe het zijn misdaad bestrijdt en welke labels het gebruikt. Maar de manier waarop hij het zegt – zonder filter, zonder voorbereiding – maakt het natuurlijk een cadeau voor zijn tegenstanders. Die horen alleen: “onze criminelen”. En dat wordt hem dan weer in de schoenen geschoven, terecht of niet, omdat hij nu eenmaal een politicus is die vaak sneller spreekt dan hij denkt.
Intussen kijken andere wereldleiders toe, voorzichtig, diplomatiek. Niemand heeft er belang bij om openlijk partij te kiezen in een discussie die tegelijk juridisch, politiek en symbolisch is. Ze weten dat het PCC en het Comando Vermelho reële spelers zijn in de internationale misdaad, maar ze weten ook dat het label “terrorisme” in de internationale politiek vaak meer met strategie te maken heeft dan met moraliteit. Vandaag zijn het Braziliaanse organisaties, morgen kan het een groep zijn in hun eigen achtertuin.
En ja, dit alles zal invloed hebben op de komende verkiezingen in Brazilië. Niet omdat kiezers plots experts worden in georganiseerde misdaad, maar omdat perceptie alles is. Flávio probeert zich te profileren als de man die Brazilië verdedigt tegen “internationale criminaliteit” en tegelijk tegen “buitenlandse inmenging”. Lula probeert te vermijden dat het land wordt neergezet als een failed state die zijn eigen bendes niet onder controle heeft. En ondertussen blijven het PCC, het Comando Vermelho en de milícias doen wat ze al decennia doen: zich aanpassen, professionaliseren, uitbreiden.
Wat overblijft, is een verhaal dat tegelijk tragisch, absurd en fascinerend is. Een land dat worstelt met zijn eigen schaduwen. Een politieke klasse die improviseert. Criminele organisaties die professioneler zijn dan de staat. En een internationale scène die altijd klaarstaat om labels te plakken, zolang ze er zelf beter van wordt. Wie dit wil begrijpen, moet niet kiezen tussen misdaadverhaal, politieke analyse of geopolitiek essay. Brazilië is alledrie tegelijk. En precies daarom is het zo moeilijk om er vanop afstand niet naar te blijven kijken.





